licht op Bahro en Naess

Daarmee komen we aan twee uitstekende artikelen die Ullrich Melle schreef voor het boek. Zijn inleidingen op het werk van Bahro en Naess zijn zeer informatief en helder geschreven. In Apocalyps, bewustwording en commune. Rudolph Bahro’s onderzoek naar de fundamenten van de ecologische crisis en van een reddingsweg slaagt hij erin het intrigerende werk van Bahro tot zijn essentie terug te brengen. Zo komen ook de centrale thema’s goed tot uitdrukking. Uit de vele wil ik er één uithalen, de stelling van Bahro dat het industrialisme en de daarbij horende technologie fundamenteel ’extermi-nistisch’ zijn, gericht op de uiteindelijke ondergang van de mens. Hiermee raakt de weergave door Melle van Bahro’s gedachtengoed aan een binnen de radicale ecologie nog te weinig onderzocht probleemcomplex. Een industriële productiewijze werd tot nu toe in de socialistische traditie gezien als een noodzakelijk voorwaarde voor het bereiken van een situatie van post-schaarste. En het overwinnen van schaarste is volgens het Verlichtingsden-ken weer een voorwaarde om iedereen deel te laten nemen aan het politieke leven. In de sociale ecologie van Bookchin vinden we een pleidooi voor een andere technologie, niet voor een afschaffing van de technologie. De vraag is daarom hoe de spirituele ecologen, die de materialistische weg van het gehate industrialisme willen ruilen voor ’een weg naar binnen’, een postschaarste-situatie willen bereiken in een post-industriële cultuur. In de beantwoording van deze vraag ligt een geweldige uitdaging voor de radicale ecologie. Ik kan het temidden van alle lof voor het artikel overigens niet nalaten erop te wijzen dat we ook bij Bahro een problemati-sche versie van het ecofeminisme aantreffen. Het zeer uitvoerige artikel van Ullrich Melle, Verscheidenheid, verbondenheid en zelfverwerkelijking, behandelt de ecologische filosofie van Arne Naess, de vader van de ’deep ecology movement’. De auteur claimt dat het de eerste goede Nederlandstalige inleiding is op het denken van deze vermaarde radicale ecoloog, en ik denk dat hij daar gelijk in heeft. Ook hier een kritische noot. Te weinig gaat het artikel in op het toch fundamentele debat tussen deep ecology en social ecology dat in de Verenig-de Staten is gevoerd, naar dat zeker ook voor de Europese situatie relevant is. Zo blijft een aantal mogelijke ongerijmdheden en inconsequenties in het werk van Naess onderbelicht. Zoals zovele groene denkers toont ook Naess zich enigszins naief op politiek terrein, en is ook zijn houding ten opzichte van het complex van kapitalisme en liberale democratie weinig doordacht.

twijfels over de radicale ecologie

Het slotartikel van Marian Deblonde, getiteld ’Een radicaal dwaalspoor?’ stelt eindelijk een aantal essentiële dilemma’s en paradoxen van de radicale ecologie aan de orde. Maar het is alles bijeen nogal mager, niet fundamenteel genoeg, en vooral: de terugkoppeling naar de verschillende stromingen wordt niet gelegd. Als belangrijkste criticaster wordt Lewis genoemd, een van zijn vroegere radicalisme bekeerde groene denker. Deze meent dat radicale en gematigde ecologen op vier punten van elkaar ver-schillen: de primitieve samenlevingen als ideaal; de kwestie van kleinscha-ligheid als norm voor samenleven; de waardering van wetenschap en technolo-gie; de aanvaardbaarheid van het kapitalisme in het licht van de milieucri-sis. Deblonde heeft hiermee ongetwijfeld een aantal kardinale twistpunten benoemd. Ze gaat echter voorbij aan het feit dat ook binnen de radicale ecologie allerminst overeenstemming hierover is bereikt. Hoe groot de verschillen binnen de radicale ecologie zijn, juist ook op de genoemde vier punten, wordt bijvoorbeeld duidelijk in Re-enchanting Humanity (Cassell, 1995) van Murray Bookchin. Eigenlijk wordt de zwakte van de bundel goed gedemonstreerd de beide keren dat Deblonde zich in haar bijdrage op Keulartz beroept. In zijn vorig jaar verschenen boek gaat deze te keer tegen het naturalisme van de radicale ecologen. Zij miskennen het feit dat ought niet valt af te leiden van is, een kritiek die bekend staat als de kritiek op de naturalistic fallacy. Het leuke van een denker als Naess is natuurlijk, en het artikel van Melle over Naess stelt dan ook met nadruk, dat Naess die scheiding tussen feit en waarde niet accepteert. Niets hierover treffen we aan in de slotbeschouwing van Deblonde. De andere verwijzing naar Keulartz – de absurde, in het geheel niet waargemaakte bewering van Keulartz dat de radicale ecologen het maatschap-pelijk debat over natuur- en landschapswaarden beheersen – gaat even klakkeloos als Keulartz dat doet voorbij aan het feit dat het totale milieubeleid in Nederland onmogelijk als anders dan op de eerste plaats systeemconform kan worden gekarakteriseerd. Ook voor het landbouwbeleid geldt dat het op kapitalistisch produceren is gericht en dat ’milieumaatre-gelen’ vaak weinig meer zijn dan franje. Het pleit niet voor Deblonde dat zij geen woord van kritiek uit op het boek van Keulartz, dat vooral de armoede van het postmodernisme aantoont.

gegronde twijfel

Laten we de balans opmaken. Wat hebben we met deze bundel gewonnen, wat is de meerwaarde van de beschouwingen? Zijn de gestelde doelen gerealiseerd? Hoe kunnen we de artikelen afzonderlijk en het geheel ervan waarderen tegen de achtergrond van de boven gestelde vragen? Op de eerste plaats laat de bundel ons opnieuw de sensatie ondergaan dat er geen vervanging is voor ’the real thing’: voor zover hun teksten beschikbaar zijn, verdient het verre de voorkeur de oorspronkelijke werken van de behandelde auteurs te lezen boven het lezen van beschouwingen over hun werk. Dat een paar artikelen doen verlangen naar de originele teksten is waarschijnlijk de belangrijkste verdienste van het boek. Verder moet worden gewezen op de toch wel zeer verschillende kwaliteit van de bijdragen. Het feit dat we te maken hebben met gebundelde artikelen mag niet als excuus gelden. Enkele bijdragen zijn eigenlijk nauwelijks leesbaar. En ook de betere artikelen lijden uiteindelijk aan wat met meer bundels het geval is: het boek verliest aan kracht door de verschillende wijze waarop verhalen zijn opgebouwd. Dat heeft tot gevolg dat een onder-linge vergelijking van de gedachten en standpunten van de diverse auteurs door het boek heen niet goed mogelijk.

Daarnaast zit er nog een andere vorm van onevenwichtigheid in het boek, geconcentreerd rond het ecofeminisme. Van Shiva’s bijdrage is het de vraag waarom zij hier is opgenomen. Dit verhaal valt bij de anderen uit de toon, omdat het zich op een heel ander abstractieniveau beweegt. En Van der Ven’s verhaal over het ecofeminisme als stroming lijdt niet alleen aan een gebrek aan stilistische soepelheid, maar weet de lezer evenmin te overtui-gen van de zelfstandige plaats van het ecofeminisme binnen de radicale ecologie.

Bovenstaande drie bezwaren maken dat een vergelijking van de artike-len, en op grond daarvan eventueel een oordeel over de stromingen, heel lastig wordt, zo niet onmogelijk. Omdat ook de slotbeschouwing te summier is uitgevallen, wordt veel overgelaten aan de lezer, die voor een goede beoordeling echter te weinig materiaal krijgt aangereikt. Deze representa-tie van de groene filosofen is niet de best mogelijke.

Voeten in de aarde is een mooie titel voor een boek over het groene denken. Maar ze roept ook meteen de vraag op of de bundel zelf voldoende vaste grond onder de voeten heeft gekregen. Voor een echte ’worteling’ is toch een ander soort analyse nodig en een andere wijze van presentatie van ideeën: meer coherentie, een grotere vergelijkbaarheid, na de weergave van ideeën meer analyse, meer dwarsverbanden tussen auteurs, en vooral duide-lijker uitgangspunten. In die zin is het voor mij nog maar de vraag of het vergroten van de afstand tussen de werkgroep en Agalev, hoe begrijpelijk dat verder ook is, uiteindelijk niet een averechts effect heeft gehad op de activiteiten van de werkgroep. Wat daarmee aan intellectuele vrijheid is gewonnen, is wellicht verloren gegaan aan directe maatschappelijke relevan-tie. Ik bedoel daarmee dat een onderzoek naar de mate waarin varianten van ecologisme een rol spelen binnen Agalev en ook daarbuiten, bij anderen die denken over oplossingen voor de ecologische kwestie, en een politieke vertaling krijgen in politieke strategieën, wellicht een nuttiger vorm van analyse was geweest dan de tamelijk vrijblijvende weergave van het denken van een aantal ongetwijfeld belangrijke en in al hun verscheidenheid interessante groene filosofen die nu voor ons ligt.

Voeten in de casino aarde (2)

In de inleiding van de bundel stellen Melle en Peeters de centrale vraag aan de orde die de ecologische crisis oproept: hoe te leven op aarde? Antwoorden op deze vraag zoeken zij bij een aantal groene, radicale filosofen. In tegenstelling tot de hierboven gegeven indeling van radicale ecologie in sociale, politieke en diepe ecologie onderscheiden zij in navolging van Carolyn Merchant sociale, diepe en spirituele ecologie, en voegen daar een vierde stroming aan toe, die van het ecofeminisme. Het onderscheid tussen de verschillende stromingen, met name tussen diepe (Naess) en spirituele (Bahro) ecologie, wordt in mijn ogen niet overtuigend weergegeven. Dat ook de inleiders moeite hebben met de plaats van het ecofeminisme mag wellicht blijken uit het feit dat ze dit perspectief niet hebben kunnen ophangen aan één voor de stroming karakteristieke represen-tant(e). Daarnaast lijdt de inleiding onder wat ik een gebrek aan reflexie zou willen noemen. Zo wordt bijvoorbeeld Bookchin’s ’Verlichtingsrationalisme’ geplaatst tegenover ’het subsistentiemodel’. Zo’n opmerking schreeuwt om nadere precisering, maar die blijft helaas uit, net zoals in het geval van een latere opmerking over het contrast tussen Bahro’s psychodynamica en het rationalisme van Bookchin. De stelling als zou Naess als enige van de behandelde auteurs een onderscheid maken tussen de groene en de ecologische beweging roept bij mij twijfels op over de radicaliteit van de radicale ecologie zoals de inleiders die schetsen, en voedt de bestaande twijfels over de waarde van de hier gehanteerde indeling in stromingen. Naast dergelijke enigszins dubieuze passages bevat de inleiding wezenlijke vragen, zoals die naar het verband tussen milieucrisis enerzijds en kapitali-sme plus liberale democratie anderzijds. Het is echter een teleurstelling dat hier de terugkoppeling van dergelijke vragen naar de teksten van de behandelde groene denkers achterwege blijft. Ik verwacht niet het definitieve oordeel in alle kwesties, maar toch zeker wel de eerste stappen van een analyse op basis van een weergave van het groene denken. En dat is wat hier ontbreekt. Een laatste voorbeeld: heel gemakke-lijk wordt een relatie gelegd tussen aan de ene kant de wetenschappelijke en technologische utopie van de moderne samenleving en aan de andere kant de huidige gangbare politiek van het nastreven van een idee van maakbaar-heid. In een tijd waarin politiek, in lijn met het modieuze postmodernisme, doorgaans wordt opgevat als juist het einde van de maakbaarheid geeft de interpretatie van de inleiders aanleiding tot aardig wat speculaties over wat hier wordt bedoelen.

vormen van radicale ecologie

Dan de verschillende hoofdstukken over de groene denkers. Roger Jacobs heeft al eerder over de sociale ecologie van Murray Bookchin gepubliceerd, en dat is aan zijn verhaal af te zien. Natuur, geschiedenis en vrijheid probeert in kort bestek het omvangrijke gedachtengoed van Murray Bookchin te schetsen, en slaagt daar heel redelijk in. Het is een helder, goed gestructureerd verhaal dat als inleiding op Bookchin’s leven en werk zeker een functie vervult. Tot de aantrekkelijke kanten van diens radicale sociale ecologie hoort het verband tussen natuurfilosofie en politieke filosofie. Terwijl veel ecologen er niet in slagen deze polen op aanvaard-bare wijze te verenigen, heeft het eco-anarchisme juist hierin een sterke troef. Wie de groene filosfen vergelijkt, zal niet om dit wezenlijke punt heen kunnen.

Jef Peeters heeft aan de bundel een vrij lang artikel bijgedragen over de interessante Duitse auteur Otto Ullrich, onder de titel Leven naar de menselijke maat. Otto Ullrichs antwoord op de moderne schaarste. Ullrich is een criticus van de moderne industrie en techniek die ik persoonlijk zou scharen onder de politieke ecologen. Hij is een soort randfiguur in het ecologisme, die met één been voorzichtig in een alternatieve natuurfiloso-fie staat, met een veel zwaarder belast ander been staat in de cultuurkri-tiek van Illich en in de klassieke traditie van de politieke economie. Juist omdat Ullrich in zekere zin een nuchtere auteur is, die weinig last heeft van de soort bevlogenheid dat andere radicale ecologen nog wel eens kenmerkt, zou zijn werk een goed uitgangspunt zijn geweest voor een vergelijking met de andere ecologen. Helaas is het artikel over zijn werk zeer moeilijk leesbaar. Ik vermoed dat Peeters geen weerstand heeft kunnen bieden aan de taalkundige eigenaardigheden van de Duitse traditie van de kritiek van de politieke economie. In elk geval is hij er onvoldoende in geslaagd afstand te nemen van zijn onderwerp, ook in zijn formuleringen.

ecofeminisme

De ecofeministische stroming binnen de radicale ecologie wordt vertolkt door Jeanneke van de Ven. Met Heelheid in diversiteit. Enkele eco-femini-stische thema’s probeert zij een overzicht te geven van de eigen bijdrage van het ecofeminisme aan het ecologisch denken. Als geheel is het geen overtuigend artikel. Wat de wezenlijke bijdrage van het ecofeministisch gezichtspunt is, wordt niet duidelijk. Tenzij het de boodschap is van de gelijkstelling van het mannelijke met het kwade en het vrouwelijke met het goede, maar een dergelijke stelling is mij toch wat al te gemakkelijk. Zweers heeft in zijn recente boek Participeren aan de natuur een uitvoerige persoonlijke kritiek op het ecofeministische perspectief geleverd, en ik sluit me daar bij aan. Hoe problematisch de schets van het eigen ecofemini-stisch alternatief is, wordt duidelijk bij de opsomming van de belangrijk-ste kenmerken van het subsistentiemodel, dat voor Van der Ven het alterna-tief be-lichaamt. Tegen geen van de genoemde kenmerken ervan – onder andere economie als scheppen van leven, een nieuwe relatie tussen mensen en natuur en tussen mensen onderling, basisdemocratie, nieuwe kennis – zal een andere (mannelijke) radicale ecoloog enig bezwaar kunnen hebben. Onder de titel Monoculturen, monopolies en de masculinisering van kennis beschrijft Shiva de nieuwe vorm van structurele ongelijkheid tussen Noord en Zuid, die is gebaseerd op de roof van kennis en soortenrijkdom door transnationale ondernemingen. Shiva volgt in het artikel de werkwijze die bekend is geworden door het ’woordenboek van de ontwikkeling’ van de groep rond Wolfgang Sachs ( Wolfgang Sachs (ed), The Development Dictiona-ry, A Guide to Knowledge as Power. London/New Yersey: Zed books, 1992. Met bijdragen van o.a. Vandana Shiva en Otto Ullrich). Daarin ontleedde een twintigtal op uiteenlopende terreinen deskundige auteurs gangbare en kritische betekenissen van het ontwikkelingsconcept in al zijn betekenis-sen. In dit nieuwe artikel laat Shiva aan de hand van een aspect van het economisch imperialisme zien hoe begrippen als productiviteit, waarde, ontwikkeling, vrijheid, kennis, eigendom en natuur andere betekenissen hebben, afhankelijk van iemands positie, afkomst en belangen. Opvallend is dat Shiva’s benadering van ecologie sterk systeemtheoretisch is geori-ënteerd. Binnen de sociale ecologie is de systeemtheorie niet onomstreden, bijvoorbeeld vanwege de kwantificerende en mogelijk reductionistische benadering van natuur, en vanwege het niet-organische, mechanistische karakter van de theorie. Ook de these van Shiva van de ’masculinisering van de kennis’ lijkt niet sterk onderbouwd. In de bundel ontbreekt deze of soortgelijke kritiek op Shiva’s bijdrage.

 

Voeten in de casino aarde

 

Sinds enkele decennia geleden de ernst van de milieucrisis zich openbaarde, is, gebruik makend van een aantal oudere denktradities, een nieuwe benade-ring van de maatschappelijke werkelijkheid ontwikkeld die wij nu sociale ecologie noemen. Vanaf dat moment hebben zich verschillende visies, radicale en minder radicale, ontwikkeld op de feitelijke en de mogelijke relatie tussen samenleving en natuur. Rond de ecologische kwestie is in de jaren zeventig een sterke milieubeweging ontstaan, als organisatorische uitdrukking van het ecologisch gedachtengoed. Een groot deel van die beweging heeft de fase van actiegroep achter zich gelaten en is deel geworden van het systeem, een gewaardeerde en bruikbare gesprekspartner voor de gevestigde orde. Overheden hebben milieubeleid ontwikkeld, mede onder druk gezet door een bezorgde burgerij en door groene partijen, die sterke banden hebben met de milieubeweging. Onder andere door de invloed van het ’marktrealisme’ van de jaren tachtig en negentig versimpelen de bestaande groene partijen hun standpun-ten en hun strategische keuzes. Meer in het algemeen lijkt de ontplooiing van het ecologisch denken steeds meer te stagneren. Inzichten uit het verleden worden niet langer creatief gemoderniseerd, en het wordt steeds moeilijker om vanuit een ecologisch perspectief de noodzaak tot radicale veranderingen te bepleiten. Vanuit de socialistische beweging ondervindt het ecologisme nog maar weinig impulsen, want ook die beweging kampt met grote ideologische problemen. De noodzaak zich de feitelijke en dreigende vernietiging van natuur te blijven realiseren en naar oplossingen te blijven zoeken, is intussen onverminderd groot. Het is niet zo dat milieubeleid geen enkel effect heeft. Maar zolang het afhankelijk is van een verdere ontwikkeling van het kapitalisme en van economische groei, al dan niet ’duurzaam’, is een uitweg uit de crisis niet denkbaar.

het ecologisme

Een momenteel breed geaccepteerde indeling van het ecologisch denken onderscheidt gematigde en radicale ecologie. Van de gematigde ecologie zeggen de radicale auteurs vooral dat zij geen fundamentele vragen stelt over de relatie natuur – samenleving. Zij vraagt niet naar de oorzaken van de milieucrisis, en stelt als gevolg daarvan geen ingrijpende oplossingen in politieke en sociaal-economische zin voor. De radicale ecologie wordt gewoonlijk, bijvoorbeeld bij Keulartz in zijn recente Strijd om de natuur (1995), onderverdeeld in sociale, politieke en diep ecologie. De sociale ecologie, met name vertolkt door Murray Bookchin, is een herkenbaar complex van ideeën. Het verenigt in essentie de anarchistische analyse van macht en ongelijkheid, een fundamentele kritiek op het kapitalisme, en een organisch-dialectische natuurfilosofie. De politieke en de diepe ecologie daarentegen zijn mijns inziens minder goed te omschrijven. De politieke ecologie zie ik vooral als de ecologisch gemoderniseerde voortzetting van de oude politieke economie, de ecologisering van het politiek-economische vertoog. Volgens sommigen vertegenwoordigt Illich deze stroming, maar daar is wel wat op af te dingen. En de diepe ecologie, de radicaal-ecologische stroming die momenteel de wind in de zeilen heeft, ontsnapt vooralsnog aan nauwkeurige definiëring, maar oriënteert zich sterk op het werk van Arne Naess, die op zijn beurt weer uit een groot aantal verschillende inspira-tiebronnen put. Met andere woorden, de radicale ecologie als geheel is een verzameling van concepten waarvan de inhoud heel lastig onder één noemer te brengen valt. Het eco-feminisme staat in een wat vreemde verhouding tot deze driedeling. Elementen of vormen van ecofeministisch denken hebben zich in alle radicaal-ecologische stromingen ontwikkeld zonder dat daarmee het ecofeminisme zich als een herkenbare, zelfstandige stroming heeft gemanife-steerd.

Die onduidelijkheid en verscheidenheid is niet aanleiding tot een vruchtbare discussie onder aanhangers van de radicale ecologie. Integen-deel, sectarisme viert hoogtij, met name in de wijze waarop aanhangers van ’deep ecology’ en ’social ecology’ elkaar tegemoettreden. De bereidheid tot dialoog ontbreekt, men verdedigt eerder zijn eigen territorium dan dat van de ander te verkennen. Tot een werkelijke inhoudelijke discussie over de zaak zelf komt het nauwelijks. Het recente, imposante boek van Wim Zweers, Participeren aan de natuur (1995), doet een poging tot verduidelijking, maar slaagt er niet helemaal in tot een synthese te komen. Zweers erkent bijvoorbeeld het belang van een politiek-filosofische analyse, maar is zelf momenteel niet in staat deze te maken. De boven al genoemde Jozef Keulartz doet een uitdrukkelijke poging postmodern af te rekenen met de gehele radicale ecologie, maar vergeet in zijn monomane bloeddorstigheid de elementaire voorwaarden van wetenschappelijke kritiek in acht te nemen en diskwalificeert zich als serieus te nemen auteur. Ik denk dat discussie, dialoog, verheldering van standpunten binnen de ecologische beweging hard nodig is. De belangrijkste thema’s van de sociale en radicale ecologie moeten verder worden onderzocht, want het vergroten van inzicht in elkaars standpunten is een voorwaarde voor een doorbreken van de impasse in de theorievorming en in de totstandkoming van maatschap-pijveranderende bewegingen. Voor de stromingen in de radicale ecologie grote vraagstukken zijn niet zorgvuldig onderzocht en wachten op behande-ling. Ik noem bijvoorbeeld de spanning tussen rationaliteit en spirituali-teit, tussen Verlichting en religie; de verhouding tussen natuurfilosofie en politieke filosofie; de verschillen tussen een modernistische en een postmodernistische ecologische analyse; de vraag of een traditioneel verlicht humanisme noodzakelijk uitmondt in een antropocentrische benade-ring van de ecologische kwestie-; de vaak onuitgesproken keuzes tussen democratische en dictatoriale strategieën; de status van utopische ontwer-pen. Het is van groot belang de dialoog over deze en andere onderwerpen te (her-)openen. Nieuwe boeken over radicale ecologie zouden mijns inziens aan vooral dit criterium moeten worden getoetst: gaan ze in op de spanningsvel-den die ik aangaf, en leveren ze antwoorden op enige van bovenstaande vragen? Vooral daarom is de verschijning van een boek als de bundel Voeten in de aarde van belang. Doorbreekt het boek de boven geschetste impasse? Worden er theoretische doorbraken gerealiseerd? Wordt een bijdrage geleverd aan een beter begrip van wat radicale ecologie kan zijn en aan een maat-schappelijke doorbraak ervan?

de werkgroep

De auteurs van Voeten in de aarde zijn als leden van de werkgroep groene filosofen aanvankelijk gelieerd geweest aan de Vlaamse partij Agalev. Van twee kanten is er verwijdering opgetreden. Agalev heeft zich tot beleids-partij ontwikkeld, geheel in overeenstemming met wat andere groene partijen is overkomen. Anderzijds heeft de werkgroep zich afgevraagd welke de verantwoordelijkheid was tegenover Agalev. Als gevolg hiervan heeft zij zich tot een meer onafhankelijke studiegroep ontwikkeld. De leden zijn bij twee projecten betrokken geweest. Op de eerste plaats hebben ze gewerkt aan wat uiteindelijk Voeten in de aarde is geworden. Daarnaast hebben ze onder de naam ’Aarde-werk’ gepoogd het maatschappelijk draagvlak te versterken voor een groene ombouw van de samenleving en van de politiek: het verkennen van een andere levensstijl gebaseerd op partnerschap aan de natuur, een jaarlijkse zomerweek, en in het algemeen een vermenging van politieke actie en filosofische reflexie. De werkgroep bestudeerde de Duitse Grünen, en nog daarna de werken van een groot aantal bekende denkers over ecologie, wetenschap en technologie. Met Voeten in de aarde hebben zij naar eigen zeggen de stromingen in het radicale groene denken willen presenteren, een politiek onafhankelijke theoretische doordenking willen bieden los van milieubeweging of politieke partij, en het maatschappelijk draagvlak voor een groene politiek willen verbreden. Waarin hebben deze inspanningen geresulteerd?

De plaats die het kleine scherm inneemt – centraliteit, alomtegenwoordigheid, dictaat – heeft dramatische gevolgen.

Televisie isoleert, omsluit, vervreemdt. Hij heeft verregaand bijgedragen aan de beweging van terugtrekking uit het maatschappelijk leven dat sedert het ontstaan van de consumptiemaatschappij tot ontwikkeling gekomen is. Men kan hem evenwel niet als de enige boosdoener van deze versplintering beschouwen. De overwinning van het liberalisme, en haar gevolgen voor de plaats en de rol van het individu in de maatschappij, verklaart eveneens deze terugtrekking op de privé sfeer. De effecten van dit proces hebben de sociale banden losser gemaakt, deze vinden niet meer plaats in het kader van de arbeid, en, met de ontwikkeling van de post-fordistische productie, verdwijnen zij volledig. De meeste individuen sluiten zich op in hun cocon, beschermd tegen de rest van de wereld. Socioloog Daniel Bougnoux stelt het zo: ‘Wij verwachten van de televisie dat hij ons in een staat van permanente relaxatie brengt dat, zonder dat we uit de zetel moeten komen en de verschrikkelijke wereld en de al even verschrikkelijke “anderen” moeten trotseren, ons moet toestaan om apart samen te leven, de wereld in huis te hebben. Deze verglazing van alles wat er kan voorvallen (de TV is op de eerste plaats een ruit) stelt ons in staat het genot van de zintuiglijke prikkeling te kennen, maar dan op een gefilterde en gedempte manier.’ Opgesloten in zijn kleine comfort, gevangen door de beeldbuis, weet de passiviteit zich te nestelen.

De band die de TV-kijker met zijn TV-toestel verbindt is van hypnotische aard. Door dit schemerige kastje te bekijken valt het intellect in slaap, verweekt het, en, in tegenstelling tot wat men gewoonlijk denkt, ontspant het helemaal niet. Hij werkt als een tranquilizer, waar men snel verslaafd aan raakt.

De TV-kijker verliest zijn capaciteit, zijn persoonlijke macht tot reflectie. Als men kijkt naar de definitie van de term vervreemding: ‘het individu verliest de vrije beschikking over zichzelf’ (Petit Robert), dan kan men terecht stellen dat de televisie vervreemdt. Door zijn werking wordt het individu systematisch van zijn denken verwijderd. De onophoudelijke vloed van beelden onderbreekt en verhindert de communicatie en de reflectie. De voortdurende loop van programma’s wekt een ogenblikkelijke instemming op, hetgeen de stilte oproept. Marie-José Mondzain verklaart dit proces als volgt: ‘Wanneer men niet meer de mogelijkheid heeft om het onderscheid te maken tussen hetgeen men ziet en hetgeen men is, dan blijft de enige uitweg de massale identificatie, d.w.z. de regressie en de onderwerping.’ Het reële wordt datgene wat men ziet. De cineast Jean-Henri Roger drukt met andere woorden en andere begrippen ditzelfde idee uit: ‘De televisie probeert de voorstelling te vervangen door een direct effect, en met het direct effect bestaat er geen beoordeling. (…) Door deze vervanging van het direct effect door het effect van het reële, organiseert de televisie een wereld waarin de kritische beoordeling afwezig is.’ De TV-kijker verliest zijn analysekracht, want “men levert geen kritiek op iets dat men beleeft”, men kan slechts kritiek leveren op voorstellingen van het reële.’ Welnu, indien er geen afstand bestaat tussen het reële en hetgeen men ziet, dan is er geen beoordeling mogelijk, dus geen behoefte meer aan politiek. De realiteit wordt de onze, dus waarom hem veranderen? Want, zoals M.-J. Mondzain verklaart, is het zeer zeker ‘deze weerstand aan het reële dat het denken stimuleert en dat de mensen ertoe aanzet om zich te verenigen’. De televisie veroorzaakt dus een depolitisering van de wereld. Het individu wordt gereduceerd tot de hoedanigheid van cliënt en van toeschouwer, net zoals Guy Debord dat voorvoelde toen hij schreef: ‘Degene die steeds kijkt om het vervolg te kennen, zal nooit ageren’ (Commentaires sur la société du spectacle, 1988). Het individu is overtuigd van zijn onmacht tegenover zijn tijd. De realiteit van de gevestigde orde lijkt bijgevolg vanzelfsprekend, onveranderbaar.

Wij worden geleefd. Al die uren die voor de beeldbuis doorgebracht worden, geven de TV-kijker de indruk dat hij in de realiteit staat. En hoe meer kanalen hij heeft, met name door de ontwikkeling van de kabel en satelliet-TV, des te meer heeft hij de indruk dat hij toegang heeft tot de wereld. Sommigen zien daar zelfs een grotere vrijheid in! De wereld wordt ontdekt via een tussengeplaatst scherm, via het prisma van de televisie. Men kan er zijn buren zien, hen sympathiek vinden, en bij zichzelf zeggen dat men haast zin zou krijgen om hen te ontmoeten. Maar er zijn nog zo vele andere dingen om te ontdekken, dus verkiest men maar te zappen… José Saborit gaat nog een stapje verder: ‘Onze blik is volgestopt met het onontkoombare gewicht van de televisie-ervaring, en de verificatie-mechanismes zijn omgekeerd.’ De werkelijke ervaringen – het leven, dus – zouden de ‘waarheden’ van de televisie ontkrachten of bevestigen.

Televisie fabriceert de realiteit. Jacques Ellul (Le Bluff technologique): ‘Er bestaat geen echte informatie op de televisie, er bestaat alleen maar televisie. Een gebeurtenis wordt slechts nieuws als de televisie er zich van meester maakt’, en ‘zodra de televisie niets meer over de kwestie toont, is er geen kwestie meer. Dàt is de betekenis van de stelling dat de televisie zelf de boodschap is (…) en wij zijn enkel consumenten van informatie.’ Tegenwoordig heeft televisie een zodanig belangrijke plaats in onze samenleving ingenomen dat het voor het merendeel van de bevolking (70 % heeft als enige informatiebron de televisie) het reële overeenkomt met wat er uitgezonden wordt. Enkel een minderheid heeft de mogelijkheid en de capaciteiten om de politieke, diplomatieke, economische… belangen te vatten, om kennis te vergaren en de wereld te ontdekken. Om te bestaan moet het evenement uitgezonden worden; dit heeft consequenties – zoals we later zullen zien – op de afwikkeling zelf van het evenement. Zichtbaar, en dus reëel, is enkel wat men ons wil tonen.

In tegenstelling tot wat men ons wil doen geloven, vloeien de beelden voort uit een reeks keuzes: van de journalist die besluit naar deze of die plek te trekken, van de cameraman die een welbepaalde scène filmt, van de monteur die een bepaald gedeelte selectioneert, enz. Deze keuzes worden genomen in functie van de opinies, de bedoelingen en de structuur waarin de journalist werkzaam is. En een beeld heeft slechts betekenis in een welbepaalde context.

Nochtans stelt men de beelden voor als objectief. Zij geven de TV-kijker de indruk dat hij deelneemt aan het evenement en dat hetgeen hij ziet de realiteit is. Hij heeft niet de mogelijkheid om afstand te nemen ten opzichte van de boodschappen die hem toegediend worden. Het TV-beeld laat geen plaats aan afstand en reflectie. Paul Virilio (Télévision et pouvoir, 1996) ziet daar een bedreiging in: ‘De televisie, zelfs als hij pretendeert direct te zijn of “onpartijdig”, is een “montage” van de opinie. Televisie doet aan beïnvloeding. Indien de televisie bij de aanvang een televisie van reportage was, een televisie van getuigenissen, dan kan men nu stellen dat hij een televisie van montage en van dressuur van reflexen geworden is. Ik neem simpelweg een voorbeeld: de versnelling van de montage, de rol van de montage in de televisie-uitzending, de versnelling van de informatie, het feit dat er onophoudelijk spots op je afgevuurd worden. Dat is een beïnvloeding. Dat is een dressuur van de publieke opinie.’ En het gevaar bestaat er niet zo zeer in dat er een subjectieve wereldvisie gegeven wordt, alswel dat hij zich voordoet als objectief, zelfs als heilig. Terwijl, zoals M.-J. Mondzain schrijft, ‘alles uitgezonden wordt op een manier alsof men deelheeft aan een realiteit, waarbij weggemoffeld wordt dat er apparaten zijn, een montage, een geheel van dwangmiddelen die maken dat men ter plekke zeer zeker niet hetzelfde gezien heeft.’ Dat wordt genoemd: ‘het balkon-effect’. D.w.z. een effect dat de idee geeft dat hetgeen men via het beeldscherm ziet ook de realiteit is, waar de TV-kijker de getuige van zou zijn. Hij neemt in geen enkel geval deel aan een evenement, maar aan één van zijn voorstellingen.

En met beelden wordt de begrijpelijkheid van het niet-zichtbare gedeelte uiterst moeilijk. Door zijn principe zelf wordt de realiteit door de televisie versluiert. De TV-kijker maakt zich des te gemakkelijker de dingen eigen die men hem toont, in de mate dat hij niet over middelen beschikt om een gedachte, en dus een ander discours, uit te werken. Zien is geen garantie om te begrijpen. De overvloed aan informatie, de vloed aan beelden vervalst de realiteit veel meer dan dat het toestaat de complexiteit ervan te begrijpen. M.-J. Mondzain vat dit idee prachtig samen: ‘De uitoefening van de vrijheid vloeit niet voort uit een accumulatie. Het is niet: hoe meer ik zie, des te meer begrijp ik, maar steeds: hoe meer ik denk, des te meer begrijp ik.’ Tegenwoordig kwijnt de reflectie weg, een bepaald model van informatie- en kennisoverdracht heeft zich doorgezet.

Een hegemonistisch model. Op enkele decennia tijd is de televisie het heersende medium geworden. Zoals we gezien hebben, is zijn gewicht en zijn aanwezigheid in het leven van de individuen onophoudelijk toegenomen. Hij heeft beetje bij beetje de ruimte ingenomen en de andere media teruggedrongen naar ondergeschikte posities.

Maar zijn kracht en zijn hegemonie overstijgen het kader van deze concurrentie. Het is zijn visie van de informatie – zelfs van de wereld – die zich doorgezet heeft. De andere media en ook andere terreinen hebben, soms om te kunnen overleven, de waarden en normen van het kleine scherm overgenomen: de fascinatie voor het beeld, voor het spektakel, snelheid, de jacht op scoops, de beknoptheid, oppervlakkigheid, conformisme, open deuren intrappen, een spel met emoties, enz. In zijn boekje Over televisie (Ned. vert.: Uitg. Boom, Amsterdam, 1998) beschrijft Pierre Bourdieu deze mechanismen. Hij toont aan hoe televisie ‘door zijn uitzendkracht aan het geheel van de geschreven pers en van de cultuur een absoluut verschrikkelijk probleem oplegt. (…) Door zijn omvang, zijn buitengewoon gewicht, produceert televisie effecten die, alhoewel niet zonder precedent, volkomen nieuw zijn’. Indien we de geschreven pers bekijken, dan merken we de impact die de televisie erop heeft. Dit vertaalt zich m.n. in de behoefte van de grote kranten om op antenne te komen om te kunnen bestaan (en door te wegen), in de creatie van TV-bijlages, in de ontwikkeling van zap-kranten met korte artikelen en aantrekkelijke foto’s, enz. De grote pers heeft zijn intellectuele rol opgegeven, om zich te positioneren op het terrein van de televisie. Hij privilegieert het spectaculaire, de emotie, de faits divers en de probleempjes van het dagelijks leven. Geen enkel thema kent prioriteit indien de televisie er zich niet van meester maakt; hij is het die het belang van een onderwerp bepaalt. Boudieu maakt zich daar ongerust over: ‘Maar het belangrijkste is dat er zich aan het journalistieke veld als geheel meer en meer een bepaalde visie op nieuwsgaring opdringt, gewijd aan sport en gemengd nieuws. Dat verschijnsel is een gevolg van het toegenomen symbolische gewicht van de televisie en van de omroepen of televisiestations die met het meeste cynisme en succes jagen op het sensationele, het spectaculaire, het buitengewone.’

De politieke klasse heeft snel het eigenbelang begrepen dat zij zou kunnen halen uit een goede exploitatie van de televisie. Het kleine scherm is het centrale element van het politieke leven geworden. Hij heeft hem zijn regels opgelegd, de politici zijn in het spel meegestapt, en zij die zich niet konden aanpassen werden door de media-tornado weggevaagd. Het politieke debat, waar een minderheid zich reeds van meester gemaakt had, staat voortaan dicht bij het nulpunt, wordt gevoerd met korte zinnetjes, ronkende verklaringen, geënsceneerde attitudes die moeten verleiden. Men moet overtuigend overkomen voor de camera, simpele ideeën hebben, eenvoudig om uit te leggen… De bekrompen politieke strategieën worden op de eerste plaats uitgewerkt in functie van de vereisten van de televisie. De politiek wordt gereduceerd tot een walgelijk spektakel.

Erger nog, de televisie doet er aanspraak op heel de debatruimte te bezetten. Hij behandelt alle onderwerpen met gewichtigheid. Hij zou zich meester willen maken van alle domeinen van de maatschappij. Boudieu onderlijnt: ‘Het belangrijkste fenomeen, en dat erg moeilijk te voorzien was, is de buitengewone uitbreiding van de greep van de televisie op het geheel van de wetenschappelijke en artistieke productie-activiteiten.’ Het voorbeeld van de sport toont deze greep in verscherpte mate aan. Door de wereld van de sport binnen te dringen, is de televisie erin geslaagd hem zijn regels op te leggen en zijn mentaliteit te doen wijzigen. Indien deze symbiose vanzelfsprekend lijkt, dan is deze groeiende invloed van de televisie even zeer merkbaar in andere gebieden die uit eigen aard autonoom zouden moeten zijn, zoals bijvoorbeeld in het gerecht.

Men vindt zijn hegemonie terug in de filmproductie. Voortaan moet elke realisator van fictiefilm, en meer nog die van documentaires, er rekening mee houden dat zijn werk op TV kan vertoond worden. Meestendeels gaat het hierbij om het overleven van een project. Deze inpalming brengt een schrikwekkende normalisatie van de audiovisuele productie met zich mee, en verankert nog een beetje meer de macht van de televisie en van zijn regels over het geheel van de maatschappij.

Elk opname-apparaat ageert op hetgeen het registreert. Enkel de televisie, door de norm te worden, is voortaan ‘de scheidsrechter in de toegang tot het maatschapelijk en politiek bestaan’ (Bourdieu). Hetgeen hem uiterst gevaarlijk maakt.

Om aan de dictatuur van de media weerstand te bieden, dienen we op de eerste plaats bewust te zijn van de aberraties die de televisie produceert, dienen we de absurditeit aan te klagen van de attitudes die hij oproept, in één woord: afkicken.

Het R.A.T. (Réseau pour l’Abolition de la Télévision)

 

Als reactie op de media-berichtgeving over de Golf-oorlog, werd er in 1991 in Frankrijk een driemaandelijks blaadje opgestart. Het heet Brisons nos chaînes (‘Breek de ketens’: in het Frans betekent chaîne ook TV-zender) en telt al 35 nummers. Het wordt uitgegeven door het Réseau pour l’Abolition de la Télévision (‘Netwerk voor de afschaffing van de televisie’), afgekort: R.A.T.

Naast berichten over de media-gekte (Monica Lewinsky – you remember?) en media-manipulatie (Chili, Koerdistan…), probeert het ook een discussie aan te zwengelen over de rol van televisie in de huidige samenleving. Regelmatig worden er dossiers gepubliceerd, recentelijk een heus boek van 192 blz: Contre la téle (‘Tegen de televisie’). Hierin worden 15 verhalen van even zovele auteurs gepubliceerd die, dikwijls op een erg humoristische manier, de vloer aanvegen met de kleine kijkkast die tot in elke woning is weten binnen te dringen.

In het voorwoord benadrukken de samenstellers dat zij in televisie niet de bron van alle kwaad willen zoeken. Anderzijds zijn zij ervan overtuigd dat een radicale kritiek van het kapitalisme ‘niet zonder een analyse van de wapenen van diens controle kan’. Want zij zijn het in dit opzicht eens met Jean Baudrillard: ‘Televisie betekent, door zijn aanwezigheid alleen al, de sociale controle in de huiskamer.’ In de 15 verhalen wordt duidelijk welke verregaande invloed televisie uitoefent, zowel in het leven van de meeste mensen als in de productie van kennis en de overdracht van informatie.

Uit het voorwoord tot de bundel vertaalden we volgend fragment, dat het verschijnsel televisie in een analytisch kader plaatst.

***

Werken, slapen en… televisie kijken! Na de professionele activiteit en de slaap, vormt het kijken naar de beeldbuis de derde belangrijkste bezigheid van de westerlingen. Dat ligt ver voorop bij de huiselijke activiteiten. Gemiddeld brengt men in Frankrijk drie uur per dag door voor de buis, in de V.S. is dat vier uur, in Italië drie uur dertig, enz. De 10 % die het meest TV kijkt, komt aan zeven uur per dag. Afgezien van deze excessen, kan men vaststellen dat deze activiteit – of zouden we niet veeleer moeten zeggen: passiviteit? – de vrije tijd aantast. Deze conditionering begint vanaf prille leeftijd. Een kind van 4 tot 7 jaar brengt meer tijd door voor de televisie dan op school. Voor kinderen van 8 tot 16 jaar – gedurende een periode die van fundamenteel belang is voor de vorming van de persoonlijkheid – vormt het de meest gebezigde vrijetijdsbesteding.

In de loop der jaren is de televisie tot in de meeste huisgezinnen weten door te dringen. In 1970 bezat in Frankrijk 32 % van de huisgezinnen geen TV-toestel; tegenwoordig is dat cijfer gezakt tot 5 %. 22 miljoen gezinnen beschikt over een TV, en meer dan 40 % heeft er twee of meerdere. Geen enkel huishoudapparaat is er zo snel en op zo’n massale schaal in geslaagd om in de huiskamer door te dringen. Overigens kan de aanwezigheid van een TV-toestel niemand meer verrassen; het is daarentegen het ontbreken ervan dat verbazing oproept, en soms zelfs onrust. Het overgrote merendeel van de bevolking stelt zich zelfs niet meer de vraag waarom men in feite een TV-toestel in huis heeft. Het is slechts een zeer kleine minderheid die zich de vraag stelt of het misschien niet beter is er geen te hebben. En deze vraag blijkt soms erg lastig te zijn, vooral als men kinderen heeft: ‘Riskeren we onze kroost niet te marginaliseren als we ons geen TV aanschaffen?’ Deze paradoxale schrik is begrijpelijk. ‘Televisie,’ verklaart psychiater Jean-Louis Camoscio, ‘is een volwaardig wezen geworden, een element dat tot het gezin hoort. Vele mensen hebben een TV in hun kamer staan. ‘s Morgens zet men hem aan voor het licht.’

Deze verovering van de geesten vertaalt zich ook in een bijzondere fysische aanwezigheid. In de meeste huisgezinnen neemt de TV een biezonder statuut in. Hij troont in de belangrijkste kamer, op de beste plek. De inrichting van de living gebeurt in functie van het TV-toestel en niet om een gezellige kring te vormen. Deze kamer, die vroeger de ontmoetingsplaats was en gestructureerd om het contact tussen de individuen mogelijk te maken, werd omgevormd tot projectiezaal. Deze vorm vindt men overal terug waar de televisie is weten door te dringen. Zoals filosoof Jean-Jacques Wunenburger opmerkte: ‘Als belangrijkste kracht van de mondialisering van de zeden roept de televisie een geheel van haast rituele eenvormige attitudes op, wat ook de omgeving of de visuele landschappen mogen zijn: rangschikking van de meubels, het publiek van toeschouwers dat zich richt naar de lichtbron, een dagindeling die bepaald wordt door een spektakel dat over ‘t algemeen op vaste uren geprogrammeerd is, enz.’

Velen draaien de knop van hun toestel om zoals men een waterkraan opendraait, uit gewoonte. Hij is zo goed in het dagelijks leven geïntegreerd dat het feit om hem aan te zetten in de meeste gezinnen niet lijkt voort te vloeien uit een echte beslissing die na een overwogen keuze genomen wordt. Overigens verminderen zelfs de momenten die zich lenen tot discussie: in een enquête verklaarde 62,8 % van de kinderen dat de TV tijdens de maaltijd opstaat. De televisie blijft soms permanent opstaan, men kijkt ernaar zonder echte goesting, uit automatisme.

De programmamakers hebben dit goed begrepen. Om een groeiende plaats in te nemen in het leven van de TV-kijker, stemmen zij hun programma’s af op het ritme van zijn leven. Lucien Sfez, in zijn Dictionnaire critique de la communication (1993), heeft dit fenomeen goed getypeerd: ‘Deze min of meer belangrijke aanwezigheid van het publiek in de woonplaats bepaalt voor de programmamakers de dagindeling. De ochtend en de namiddag van een weekdag zijn het de huisvrouwen, de bejaarden, de zieken, de werklozen. Het middaguur is in Frankrijk meestal de gelegenheid voor een maaltijd in familieverband, dan is het dit publiek dat geviseerd wordt. De avond wordt in drie hoofdbrokken opgedeeld: eerst de vooravond van 17u30 tot 19u30, een piekmoment met de thuiskomst van nieuwe doelgroepen, de kinderen die van school komen en de volwassenen die van hun werk thuiskomen; vervolgens de avond, de beruchte Prime time van 19u30 tot 22u30, de meest bekeken periode; tenslotte het derde deel van de avond met een minder familiaal en meer avontuurlijk publiek.’ Televisiekijken is dus niet zomaar een activiteit tussen vele anderen, waarvoor vrij gekozen wordt, waarop men zich voorbereidt, waaruit men lessen trekt, conclusies, enz. omdat men vertrekt vanuit het postulaat dat er gekeken wordt en dat enkel de aard van het programma de tijd structureert. En deze verdeling legt op zijn beurt zijn voorwaarden op. Voor Liliane Lurçat: ‘De aanwezigheid van de TV in het huisgezin betekent een vorm van geweld die met de situatie samengaat: het intieme ritme van het leven wordt gedicteerd door de machine.’