De plaats die het kleine scherm inneemt – centraliteit, alomtegenwoordigheid, dictaat – heeft dramatische gevolgen.

Televisie isoleert, omsluit, vervreemdt. Hij heeft verregaand bijgedragen aan de beweging van terugtrekking uit het maatschappelijk leven dat sedert het ontstaan van de consumptiemaatschappij tot ontwikkeling gekomen is. Men kan hem evenwel niet als de enige boosdoener van deze versplintering beschouwen. De overwinning van het liberalisme, en haar gevolgen voor de plaats en de rol van het individu in de maatschappij, verklaart eveneens deze terugtrekking op de privé sfeer. De effecten van dit proces hebben de sociale banden losser gemaakt, deze vinden niet meer plaats in het kader van de arbeid, en, met de ontwikkeling van de post-fordistische productie, verdwijnen zij volledig. De meeste individuen sluiten zich op in hun cocon, beschermd tegen de rest van de wereld. Socioloog Daniel Bougnoux stelt het zo: ‘Wij verwachten van de televisie dat hij ons in een staat van permanente relaxatie brengt dat, zonder dat we uit de zetel moeten komen en de verschrikkelijke wereld en de al even verschrikkelijke “anderen” moeten trotseren, ons moet toestaan om apart samen te leven, de wereld in huis te hebben. Deze verglazing van alles wat er kan voorvallen (de TV is op de eerste plaats een ruit) stelt ons in staat het genot van de zintuiglijke prikkeling te kennen, maar dan op een gefilterde en gedempte manier.’ Opgesloten in zijn kleine comfort, gevangen door de beeldbuis, weet de passiviteit zich te nestelen.

De band die de TV-kijker met zijn TV-toestel verbindt is van hypnotische aard. Door dit schemerige kastje te bekijken valt het intellect in slaap, verweekt het, en, in tegenstelling tot wat men gewoonlijk denkt, ontspant het helemaal niet. Hij werkt als een tranquilizer, waar men snel verslaafd aan raakt.

De TV-kijker verliest zijn capaciteit, zijn persoonlijke macht tot reflectie. Als men kijkt naar de definitie van de term vervreemding: ‘het individu verliest de vrije beschikking over zichzelf’ (Petit Robert), dan kan men terecht stellen dat de televisie vervreemdt. Door zijn werking wordt het individu systematisch van zijn denken verwijderd. De onophoudelijke vloed van beelden onderbreekt en verhindert de communicatie en de reflectie. De voortdurende loop van programma’s wekt een ogenblikkelijke instemming op, hetgeen de stilte oproept. Marie-José Mondzain verklaart dit proces als volgt: ‘Wanneer men niet meer de mogelijkheid heeft om het onderscheid te maken tussen hetgeen men ziet en hetgeen men is, dan blijft de enige uitweg de massale identificatie, d.w.z. de regressie en de onderwerping.’ Het reële wordt datgene wat men ziet. De cineast Jean-Henri Roger drukt met andere woorden en andere begrippen ditzelfde idee uit: ‘De televisie probeert de voorstelling te vervangen door een direct effect, en met het direct effect bestaat er geen beoordeling. (…) Door deze vervanging van het direct effect door het effect van het reële, organiseert de televisie een wereld waarin de kritische beoordeling afwezig is.’ De TV-kijker verliest zijn analysekracht, want “men levert geen kritiek op iets dat men beleeft”, men kan slechts kritiek leveren op voorstellingen van het reële.’ Welnu, indien er geen afstand bestaat tussen het reële en hetgeen men ziet, dan is er geen beoordeling mogelijk, dus geen behoefte meer aan politiek. De realiteit wordt de onze, dus waarom hem veranderen? Want, zoals M.-J. Mondzain verklaart, is het zeer zeker ‘deze weerstand aan het reële dat het denken stimuleert en dat de mensen ertoe aanzet om zich te verenigen’. De televisie veroorzaakt dus een depolitisering van de wereld. Het individu wordt gereduceerd tot de hoedanigheid van cliënt en van toeschouwer, net zoals Guy Debord dat voorvoelde toen hij schreef: ‘Degene die steeds kijkt om het vervolg te kennen, zal nooit ageren’ (Commentaires sur la société du spectacle, 1988). Het individu is overtuigd van zijn onmacht tegenover zijn tijd. De realiteit van de gevestigde orde lijkt bijgevolg vanzelfsprekend, onveranderbaar.

Wij worden geleefd. Al die uren die voor de beeldbuis doorgebracht worden, geven de TV-kijker de indruk dat hij in de realiteit staat. En hoe meer kanalen hij heeft, met name door de ontwikkeling van de kabel en satelliet-TV, des te meer heeft hij de indruk dat hij toegang heeft tot de wereld. Sommigen zien daar zelfs een grotere vrijheid in! De wereld wordt ontdekt via een tussengeplaatst scherm, via het prisma van de televisie. Men kan er zijn buren zien, hen sympathiek vinden, en bij zichzelf zeggen dat men haast zin zou krijgen om hen te ontmoeten. Maar er zijn nog zo vele andere dingen om te ontdekken, dus verkiest men maar te zappen… José Saborit gaat nog een stapje verder: ‘Onze blik is volgestopt met het onontkoombare gewicht van de televisie-ervaring, de free spins no deposit en de verificatie-mechanismes zijn omgekeerd.’ De werkelijke ervaringen – het leven, dus – zouden de ‘waarheden’ van de televisie ontkrachten of bevestigen.

Televisie fabriceert de realiteit. Jacques Ellul (Le Bluff technologique): ‘Er bestaat geen echte informatie op de televisie, er bestaat alleen maar televisie. Een gebeurtenis wordt slechts nieuws als de televisie er zich van meester maakt’, en ‘zodra de televisie niets meer over de kwestie toont, is er geen kwestie meer. Dàt is de betekenis van de stelling dat de televisie zelf de boodschap is (…) en wij zijn enkel consumenten van informatie.’ Tegenwoordig heeft televisie een zodanig belangrijke plaats in onze samenleving ingenomen dat het voor het merendeel van de bevolking (70 % heeft als enige informatiebron de televisie) het reële overeenkomt met wat er uitgezonden wordt. Enkel een minderheid heeft de mogelijkheid en de capaciteiten om de politieke, diplomatieke, economische… belangen te vatten, om kennis te vergaren en de wereld te ontdekken. Om te bestaan moet het evenement uitgezonden worden; dit heeft consequenties – zoals we later zullen zien – op de afwikkeling zelf van het evenement. Zichtbaar, en dus reëel, is enkel wat men ons wil tonen.

In tegenstelling tot wat men ons wil doen geloven, vloeien de beelden voort uit een reeks keuzes: van de journalist die besluit naar deze of die plek te trekken, van de cameraman die een welbepaalde scène filmt, van de monteur die een bepaald gedeelte selectioneert, enz. Deze keuzes worden genomen in functie van de opinies, de bedoelingen en de structuur waarin de journalist werkzaam is. En een beeld heeft slechts betekenis in een welbepaalde context.

Nochtans stelt men de beelden voor als objectief. Zij geven de TV-kijker de indruk dat hij deelneemt aan het evenement en dat hetgeen hij ziet de realiteit is. Hij heeft niet de mogelijkheid om afstand te nemen ten opzichte van de boodschappen die hem toegediend worden. Het TV-beeld laat geen plaats aan afstand en reflectie. Paul Virilio (Télévision et pouvoir, 1996) ziet daar een bedreiging in: ‘De televisie, zelfs als hij pretendeert direct te zijn of “onpartijdig”, is een “montage” van de opinie. Televisie doet aan beïnvloeding. Indien de televisie bij de aanvang een televisie van reportage was, een televisie van getuigenissen, dan kan men nu stellen dat hij een televisie van montage en van dressuur van reflexen geworden is. Ik neem simpelweg een voorbeeld: de versnelling van de montage, de rol van de montage in de televisie-uitzending, de versnelling van de informatie, het feit dat er onophoudelijk spots op je afgevuurd worden. Dat is een beïnvloeding. Dat is een dressuur van de publieke opinie.’ En het gevaar bestaat er niet zo zeer in dat er een subjectieve wereldvisie gegeven wordt, alswel dat hij zich voordoet als objectief, zelfs als heilig. Terwijl, zoals M.-J. Mondzain schrijft, ‘alles uitgezonden wordt op een manier alsof men deelheeft aan een realiteit, waarbij weggemoffeld wordt dat er apparaten zijn, een montage, een geheel van dwangmiddelen die maken dat men ter plekke zeer zeker niet hetzelfde gezien heeft.’ Dat wordt genoemd: ‘het balkon-effect’. D.w.z. een effect dat de idee geeft dat hetgeen men via het beeldscherm ziet ook de realiteit is, waar de TV-kijker de getuige van zou zijn. Hij neemt in geen enkel geval deel aan een evenement, maar aan één van zijn voorstellingen.

En met beelden wordt de begrijpelijkheid van het niet-zichtbare gedeelte uiterst moeilijk. Door zijn principe zelf wordt de realiteit door de televisie versluiert. De TV-kijker maakt zich des te gemakkelijker de dingen eigen die men hem toont, in de mate dat hij niet over middelen beschikt om een gedachte, en dus een ander discours, uit te werken. Zien is geen garantie om te begrijpen. De overvloed aan informatie, de vloed aan beelden vervalst de realiteit veel meer dan dat het toestaat de complexiteit ervan te begrijpen. M.-J. Mondzain vat dit idee prachtig samen: ‘De uitoefening van de vrijheid vloeit niet voort uit een accumulatie. Het is niet: hoe meer ik zie, des te meer begrijp ik, maar steeds: hoe meer ik denk, des te meer begrijp ik.’ Tegenwoordig kwijnt de reflectie weg, een bepaald model van informatie- en kennisoverdracht heeft zich doorgezet.

Een hegemonistisch model. Op enkele decennia tijd is de televisie het heersende medium geworden. Zoals we gezien hebben, is zijn gewicht en zijn aanwezigheid in het leven van de individuen onophoudelijk toegenomen. Hij heeft beetje bij beetje de ruimte ingenomen en de andere media teruggedrongen naar ondergeschikte posities.

Maar zijn kracht en zijn hegemonie overstijgen het kader van deze concurrentie. Het is zijn visie van de informatie – zelfs van de wereld – die zich doorgezet heeft. De andere media en ook andere terreinen hebben, soms om te kunnen overleven, de waarden en normen van het kleine scherm overgenomen: de fascinatie voor het beeld, voor het spektakel, snelheid, de jacht op scoops, de beknoptheid, oppervlakkigheid, conformisme, open deuren intrappen, een spel met emoties, enz. In zijn boekje Over televisie (Ned. vert.: Uitg. Boom, Amsterdam, 1998) beschrijft Pierre Bourdieu deze mechanismen. Hij toont aan hoe televisie ‘door zijn uitzendkracht aan het geheel van de geschreven pers en van de cultuur een absoluut verschrikkelijk probleem oplegt. (…) Door zijn omvang, zijn buitengewoon gewicht, produceert televisie effecten die, alhoewel niet zonder precedent, volkomen nieuw zijn’. Indien we de geschreven pers bekijken, dan merken we de impact die de televisie erop heeft. Dit vertaalt zich m.n. in de behoefte van de grote kranten om op antenne te komen om te kunnen bestaan (en door te wegen), in de creatie van TV-bijlages, in de ontwikkeling van zap-kranten met korte artikelen en aantrekkelijke foto’s, enz. De grote pers heeft zijn intellectuele rol opgegeven, om zich te positioneren op het terrein van de televisie. Hij privilegieert het spectaculaire, de emotie, de faits divers en de probleempjes van het dagelijks leven. Geen enkel thema kent prioriteit indien de televisie er zich niet van meester maakt; hij is het die het belang van een onderwerp bepaalt. Boudieu maakt zich daar ongerust over: ‘Maar het belangrijkste is dat er zich aan het journalistieke veld als geheel meer en meer een bepaalde visie op nieuwsgaring opdringt, gewijd aan sport en gemengd nieuws. Dat verschijnsel is een gevolg van het toegenomen symbolische gewicht van de televisie en van de omroepen of televisiestations die met het meeste cynisme en succes jagen op het sensationele, het spectaculaire, het buitengewone.’

De politieke klasse heeft snel het eigenbelang begrepen dat zij zou kunnen halen uit een goede exploitatie van de televisie. Het kleine scherm is het centrale element van het politieke leven geworden. Hij heeft hem zijn regels opgelegd, de politici zijn in het spel meegestapt, en zij die zich niet konden aanpassen werden door de media-tornado weggevaagd. Het politieke debat, waar een minderheid zich reeds van meester gemaakt had, staat voortaan dicht bij het nulpunt, wordt gevoerd met korte zinnetjes, ronkende verklaringen, geënsceneerde attitudes die moeten verleiden. Men moet overtuigend overkomen voor de camera, simpele ideeën hebben, eenvoudig om uit te leggen… De bekrompen politieke strategieën worden op de eerste plaats uitgewerkt in functie van de vereisten van de televisie. De politiek wordt gereduceerd tot een walgelijk spektakel.

Erger nog, de televisie doet er aanspraak op heel de debatruimte te bezetten. Hij behandelt alle onderwerpen met gewichtigheid. Hij zou zich meester willen maken van alle domeinen van de maatschappij. Boudieu onderlijnt: ‘Het belangrijkste fenomeen, en dat erg moeilijk te voorzien was, is de buitengewone uitbreiding van de greep van de televisie op het geheel van de wetenschappelijke en artistieke productie-activiteiten.’ Het voorbeeld van de sport toont deze greep in verscherpte mate aan. Door de wereld van de sport binnen te dringen, is de televisie erin geslaagd hem zijn regels op te leggen en zijn mentaliteit te doen wijzigen. Indien deze symbiose vanzelfsprekend lijkt, dan is deze groeiende invloed van de televisie even zeer merkbaar in andere gebieden die uit eigen aard autonoom zouden moeten zijn, zoals bijvoorbeeld in het gerecht.

Men vindt zijn hegemonie terug in de filmproductie. Voortaan moet elke realisator van fictiefilm, en meer nog die van documentaires, er rekening mee houden dat zijn werk op TV kan vertoond worden. Meestendeels gaat het hierbij om het overleven van een project. Deze inpalming brengt een schrikwekkende normalisatie van de audiovisuele productie met zich mee, en verankert nog een beetje meer de macht van de televisie en van zijn regels over het geheel van de maatschappij.

Elk opname-apparaat ageert op hetgeen het registreert. Enkel de televisie, door de norm te worden, is voortaan ‘de scheidsrechter in de toegang tot het maatschapelijk en politiek bestaan’ (Bourdieu). Hetgeen hem uiterst gevaarlijk maakt.

Om aan de dictatuur van de media weerstand te bieden, dienen we op de eerste plaats bewust te zijn van de aberraties die de televisie produceert, dienen we de absurditeit aan te klagen van de attitudes die hij oproept, in één woord: afkicken.