Het R.A.T. (Réseau pour l’Abolition de la Télévision)

 

Als reactie op de media-berichtgeving over de Golf-oorlog, werd er in 1991 in Frankrijk een driemaandelijks blaadje opgestart. Het heet Brisons nos chaînes (‘Breek de ketens’: in het Frans betekent chaîne ook TV-zender) en telt al 35 nummers. Het wordt uitgegeven door het Réseau pour l’Abolition de la Télévision (‘Netwerk voor de afschaffing van de televisie’), afgekort: R.A.T.

Naast berichten over de media-gekte (Monica Lewinsky – you remember?) en media-manipulatie (Chili, Koerdistan…), probeert het ook een discussie aan te zwengelen over de rol van televisie in de huidige samenleving. Regelmatig worden er dossiers gepubliceerd, recentelijk een heus boek van 192 blz: Contre la téle (‘Tegen de televisie’). Hierin worden 15 verhalen van even zovele auteurs gepubliceerd die, dikwijls op een erg humoristische manier, de vloer aanvegen met de kleine kijkkast die tot in elke woning is weten binnen te dringen.

In het voorwoord benadrukken de samenstellers dat zij in televisie niet de bron van alle kwaad willen zoeken. Anderzijds zijn zij ervan overtuigd dat een radicale kritiek van het kapitalisme ‘niet zonder een analyse van de wapenen van diens controle kan’. Want zij zijn het in dit opzicht eens met Jean Baudrillard: ‘Televisie betekent, door zijn aanwezigheid alleen al, de sociale controle in de huiskamer.’ In de 15 verhalen wordt duidelijk welke verregaande invloed televisie uitoefent, zowel in het leven van de meeste mensen als in de productie van kennis en de overdracht van informatie.

Uit het voorwoord tot de bundel vertaalden we volgend fragment, dat het verschijnsel televisie in een analytisch kader plaatst.

***

Werken, slapen en… televisie kijken! Na de professionele activiteit en de slaap, vormt het kijken naar de beeldbuis de derde belangrijkste bezigheid van de westerlingen. Dat ligt ver voorop bij de huiselijke activiteiten. Gemiddeld brengt men in Frankrijk drie uur per dag door voor de buis, in de V.S. is dat vier uur, in Italië drie uur dertig, enz. De 10 % die het meest TV kijkt, komt aan zeven uur per dag. Afgezien van deze excessen, kan men vaststellen dat deze activiteit – of zouden we niet veeleer moeten zeggen: passiviteit? – de vrije tijd aantast. Deze conditionering begint vanaf prille leeftijd. Een kind van 4 tot 7 jaar brengt meer tijd door voor de televisie dan op school. Voor kinderen van 8 tot 16 jaar – gedurende een periode die van fundamenteel belang is voor de vorming van de persoonlijkheid – vormt het de meest gebezigde vrijetijdsbesteding.

In de loop der jaren is de televisie tot in de meeste huisgezinnen weten door te dringen. In 1970 bezat in Frankrijk 32 % van de huisgezinnen geen TV-toestel; tegenwoordig is dat cijfer gezakt tot 5 %. 22 miljoen gezinnen beschikt over een TV, en meer dan 40 % heeft er twee of meerdere. Geen enkel huishoudapparaat is er zo snel en op zo’n massale schaal in geslaagd om in de huiskamer door te dringen. Overigens kan de aanwezigheid van een TV-toestel niemand meer verrassen; het is daarentegen het ontbreken ervan dat verbazing oproept, en soms zelfs onrust. Het overgrote merendeel van de bevolking stelt zich zelfs niet meer de vraag waarom men in feite een TV-toestel in huis heeft. Het is slechts een zeer kleine minderheid die zich de vraag stelt of het misschien niet beter is er geen te hebben. En deze vraag blijkt soms erg lastig te zijn, vooral als men kinderen heeft: ‘Riskeren we onze kroost niet te marginaliseren als we ons geen TV aanschaffen?’ Deze paradoxale schrik is begrijpelijk. ‘Televisie,’ verklaart psychiater Jean-Louis Camoscio, ‘is een volwaardig wezen geworden, een element dat tot het gezin hoort. Vele mensen hebben een TV in hun kamer staan. ‘s Morgens zet men hem aan voor het licht.’

Deze verovering van de geesten vertaalt zich ook in een bijzondere fysische aanwezigheid. In de meeste huisgezinnen neemt de TV een biezonder statuut in. Hij troont in de belangrijkste kamer, op de beste plek. De inrichting van de living gebeurt in functie van het TV-toestel en niet om een gezellige kring te vormen. Deze kamer, die vroeger de ontmoetingsplaats was en gestructureerd om het contact tussen de individuen mogelijk te maken, werd omgevormd tot projectiezaal. Deze vorm vindt men overal terug waar de televisie is weten door te dringen. Zoals filosoof Jean-Jacques Wunenburger opmerkte: ‘Als belangrijkste kracht van de mondialisering van de zeden roept de televisie een geheel van haast rituele eenvormige attitudes op, wat ook de omgeving of de visuele landschappen mogen zijn: rangschikking van de meubels, het publiek van toeschouwers dat zich richt naar de lichtbron, een dagindeling die bepaald wordt door een spektakel dat over ‘t algemeen op vaste uren geprogrammeerd is, enz.’

Velen draaien de knop van hun toestel om zoals men een waterkraan opendraait, uit gewoonte. Hij is zo goed in het dagelijks leven geïntegreerd dat het feit om hem aan te zetten in de meeste gezinnen niet lijkt voort te vloeien uit een echte beslissing die na een overwogen keuze genomen wordt. Overigens verminderen zelfs de momenten die zich lenen tot discussie: in een enquête verklaarde 62,8 % van de kinderen dat de TV tijdens de maaltijd opstaat. De televisie blijft soms permanent opstaan, men kijkt ernaar zonder echte goesting, uit automatisme.

De programmamakers hebben dit goed begrepen. Om een groeiende plaats in te nemen in het leven van de TV-kijker, stemmen zij hun programma’s af op het ritme van zijn leven. Lucien Sfez, in zijn Dictionnaire critique de la communication (1993), heeft dit fenomeen goed getypeerd: ‘Deze min of meer belangrijke aanwezigheid van het publiek in de woonplaats bepaalt voor de programmamakers de dagindeling. De ochtend en de namiddag van een weekdag zijn het de huisvrouwen, de bejaarden, de zieken, de werklozen. Het middaguur is in Frankrijk meestal de gelegenheid voor een maaltijd in familieverband, dan is het dit publiek dat geviseerd wordt. De avond wordt in drie hoofdbrokken opgedeeld: eerst de vooravond van 17u30 tot 19u30, een piekmoment met de thuiskomst van nieuwe doelgroepen, de kinderen die van school komen en de volwassenen die van hun werk thuiskomen; vervolgens de avond, de beruchte Prime time van 19u30 tot 22u30, de meest bekeken periode; tenslotte het derde deel van de avond met een minder familiaal en meer avontuurlijk publiek.’ Televisiekijken is dus niet zomaar een activiteit tussen vele anderen, waarvoor vrij gekozen wordt, waarop men zich voorbereidt, waaruit men lessen trekt, conclusies, enz. omdat men vertrekt vanuit het postulaat dat er gekeken wordt en dat enkel de aard van het programma de tijd structureert. En deze verdeling legt op zijn beurt zijn voorwaarden op. Voor Liliane Lurçat: ‘De aanwezigheid van de TV in het huisgezin betekent een vorm van geweld die met de situatie samengaat: het intieme ritme van het leven wordt gedicteerd door de machine.’