licht op Bahro en Naess

Daarmee komen we aan twee uitstekende artikelen die Ullrich Melle schreef voor het boek. Zijn inleidingen op het werk van Bahro en Naess zijn zeer informatief en helder geschreven. In Apocalyps, bewustwording en commune. Rudolph Bahro’s onderzoek naar de fundamenten van de ecologische crisis en van een reddingsweg slaagt hij erin het intrigerende werk van Bahro tot zijn essentie terug te brengen. Zo komen ook de centrale thema’s goed tot uitdrukking. Uit de vele wil ik er één uithalen, de stelling van Bahro dat het industrialisme en de daarbij horende technologie fundamenteel ’extermi-nistisch’ zijn, gericht op de uiteindelijke ondergang van de mens. Hiermee raakt de weergave door Melle van Bahro’s gedachtengoed aan een binnen de radicale ecologie nog te weinig onderzocht probleemcomplex. Een industriële productiewijze werd tot nu toe in de socialistische traditie gezien als een noodzakelijk voorwaarde voor het bereiken van een situatie van post-schaarste. En het overwinnen van schaarste is volgens het Verlichtingsden-ken weer een voorwaarde om iedereen deel te laten nemen aan het politieke leven. In de sociale ecologie van Bookchin vinden we een pleidooi voor een andere technologie, niet voor een afschaffing van de technologie. De vraag is daarom hoe de spirituele ecologen, die de materialistische weg van het gehate industrialisme willen ruilen voor ’een weg naar binnen’, een postschaarste-situatie willen bereiken in een post-industriële cultuur. In de beantwoording van deze vraag ligt een geweldige uitdaging voor de radicale ecologie. Ik kan het temidden van alle lof voor het artikel overigens niet nalaten erop te wijzen dat we ook bij Bahro een problemati-sche versie van het ecofeminisme aantreffen. Het zeer uitvoerige artikel van Ullrich Melle, Verscheidenheid, verbondenheid en zelfverwerkelijking, behandelt de ecologische filosofie van Arne Naess, de vader van de ’deep ecology movement’. De auteur claimt dat het de eerste goede Nederlandstalige inleiding is op het denken van deze vermaarde radicale ecoloog, en ik denk dat hij daar gelijk in heeft. Ook hier een kritische noot. Te weinig gaat het artikel in op het toch fundamentele debat tussen deep ecology en social ecology dat in de Verenig-de Staten is gevoerd, naar dat zeker ook voor de Europese situatie relevant is. Zo blijft een aantal mogelijke ongerijmdheden en inconsequenties in het werk van Naess onderbelicht. Zoals zovele groene denkers toont ook Naess zich enigszins naief op politiek terrein, en is ook zijn houding ten opzichte van het complex van kapitalisme en liberale democratie weinig doordacht.

twijfels over de radicale ecologie

Het slotartikel van Marian Deblonde, getiteld ’Een radicaal dwaalspoor?’ stelt eindelijk een aantal essentiële dilemma’s en paradoxen van de radicale ecologie aan de orde. Maar het is alles bijeen nogal mager, niet fundamenteel genoeg, en vooral: de terugkoppeling naar de verschillende stromingen wordt niet gelegd. Als belangrijkste criticaster wordt Lewis genoemd, een van zijn vroegere radicalisme bekeerde groene denker. Deze meent dat radicale en gematigde ecologen op vier punten van elkaar ver-schillen: de primitieve samenlevingen als ideaal; de kwestie van kleinscha-ligheid als norm voor samenleven; de waardering van wetenschap en technolo-gie; de aanvaardbaarheid van het kapitalisme in het licht van de milieucri-sis. Deblonde heeft hiermee ongetwijfeld een aantal kardinale twistpunten benoemd. Ze gaat echter voorbij aan het feit dat ook binnen de radicale ecologie allerminst overeenstemming hierover is bereikt. Hoe groot de verschillen binnen de radicale ecologie zijn, juist ook op de genoemde vier punten, wordt bijvoorbeeld duidelijk in Re-enchanting Humanity (Cassell, 1995) van Murray Bookchin. Eigenlijk wordt de zwakte van de bundel goed gedemonstreerd de beide keren dat Deblonde zich in haar bijdrage op Keulartz beroept. In zijn vorig jaar verschenen boek gaat deze te keer tegen het naturalisme van de radicale ecologen. Zij miskennen het feit dat ought niet valt af te leiden van is, een kritiek die bekend staat als de kritiek op de naturalistic fallacy. Het leuke van een denker als Naess is natuurlijk, en het artikel van Melle over Naess stelt dan ook met nadruk, dat Naess die scheiding tussen feit en waarde niet accepteert. Niets hierover treffen we aan in de slotbeschouwing van Deblonde. De andere verwijzing naar Keulartz – de absurde, in het geheel niet waargemaakte bewering van Keulartz dat de radicale ecologen het maatschap-pelijk debat over natuur- en landschapswaarden beheersen – gaat even klakkeloos als Keulartz dat doet voorbij aan het feit dat het totale milieubeleid in Nederland onmogelijk als anders dan op de eerste plaats systeemconform kan worden gekarakteriseerd. Ook voor het landbouwbeleid geldt dat het op kapitalistisch produceren is gericht en dat ’milieumaatre-gelen’ vaak weinig meer zijn dan franje. Het pleit niet voor Deblonde dat zij geen woord van kritiek uit op het boek van Keulartz, dat vooral de armoede van het postmodernisme aantoont.

gegronde twijfel

Laten we de balans opmaken. Wat hebben we met deze bundel gewonnen, wat is de meerwaarde van de beschouwingen? Zijn de gestelde doelen gerealiseerd? Hoe kunnen we de artikelen afzonderlijk en het geheel ervan waarderen tegen de achtergrond van de boven gestelde vragen? Op de eerste plaats laat de bundel ons opnieuw de sensatie ondergaan dat er geen vervanging is voor ’the real thing’: voor zover hun teksten beschikbaar zijn, verdient het verre de voorkeur de oorspronkelijke werken van de behandelde auteurs te lezen boven het lezen van beschouwingen over hun werk. Dat een paar artikelen doen verlangen naar de originele teksten is waarschijnlijk de belangrijkste verdienste van het boek. Verder moet worden gewezen op de toch wel zeer verschillende kwaliteit van de bijdragen. Het feit dat we te maken hebben met gebundelde artikelen mag niet als excuus gelden. Enkele bijdragen zijn eigenlijk nauwelijks leesbaar. En ook de betere artikelen lijden uiteindelijk aan wat met meer bundels het geval is: het boek verliest aan kracht door de verschillende wijze waarop verhalen zijn opgebouwd. Dat heeft tot gevolg dat een onder-linge vergelijking van de gedachten en standpunten van de diverse auteurs door het boek heen niet goed mogelijk.

Daarnaast zit er nog een andere vorm van onevenwichtigheid in het boek, geconcentreerd rond het ecofeminisme. Van Shiva’s bijdrage is het de vraag waarom zij hier is opgenomen. Dit verhaal valt bij de anderen uit de toon, omdat het zich op een heel ander abstractieniveau beweegt. En Van der Ven’s verhaal over het ecofeminisme als stroming lijdt niet alleen aan een gebrek aan stilistische soepelheid, maar weet de lezer evenmin te overtui-gen van de zelfstandige plaats van het ecofeminisme binnen de radicale ecologie.

Bovenstaande drie bezwaren maken dat een vergelijking van de artike-len, en op grond daarvan eventueel een oordeel over de stromingen, heel lastig wordt, zo niet onmogelijk. Omdat ook de slotbeschouwing te summier is uitgevallen, wordt veel overgelaten aan de lezer, die voor een goede beoordeling echter te weinig materiaal krijgt aangereikt. Deze representa-tie van de groene filosofen is niet de best mogelijke.

Voeten in de aarde is een mooie titel voor een boek over het groene denken. Maar ze roept ook meteen de vraag op of de bundel zelf voldoende vaste grond onder de voeten heeft gekregen. Voor een echte ’worteling’ is toch een ander soort analyse nodig en een andere wijze van presentatie van ideeën: meer coherentie, een grotere vergelijkbaarheid, na de weergave van ideeën meer analyse, meer dwarsverbanden tussen auteurs, en vooral duide-lijker uitgangspunten. In die zin is het voor mij nog maar de vraag of het vergroten van de afstand tussen de werkgroep en Agalev, hoe begrijpelijk dat verder ook is, uiteindelijk niet een averechts effect heeft gehad op de activiteiten van de werkgroep. Wat daarmee aan intellectuele vrijheid is gewonnen, is wellicht verloren gegaan aan directe maatschappelijke relevan-tie. Ik bedoel daarmee dat een onderzoek naar de mate waarin varianten van ecologisme een rol spelen binnen Agalev en ook daarbuiten, bij anderen die denken over oplossingen voor de ecologische kwestie, en een politieke vertaling krijgen in politieke strategieën, wellicht een nuttiger vorm van analyse was geweest dan de tamelijk vrijblijvende weergave van het denken van een aantal ongetwijfeld belangrijke en in al hun verscheidenheid interessante groene filosofen die nu voor ons ligt.