Voeten in de casino aarde (2)

In de inleiding van de bundel stellen Melle en Peeters de centrale vraag aan de orde die de ecologische crisis oproept: hoe te leven op aarde? Antwoorden op deze vraag zoeken zij bij een aantal groene, radicale filosofen. In tegenstelling tot de hierboven gegeven indeling van radicale ecologie in sociale, politieke en diepe ecologie onderscheiden zij in navolging van Carolyn Merchant sociale, diepe en spirituele ecologie, en voegen daar een vierde stroming aan toe, die van het ecofeminisme. Het onderscheid tussen de verschillende stromingen, met name tussen diepe (Naess) en spirituele (Bahro) ecologie, wordt in mijn ogen niet overtuigend weergegeven. Dat ook de inleiders moeite hebben met de plaats van het ecofeminisme mag wellicht blijken uit het feit dat ze dit perspectief niet hebben kunnen ophangen aan één voor de stroming karakteristieke represen-tant(e). Daarnaast lijdt de inleiding onder wat ik een gebrek aan reflexie zou willen noemen. Zo wordt bijvoorbeeld Bookchin’s ’Verlichtingsrationalisme’ geplaatst tegenover ’het subsistentiemodel’. Zo’n opmerking schreeuwt om nadere precisering, maar die blijft helaas uit, net zoals in het geval van een latere opmerking over het contrast tussen Bahro’s psychodynamica en het rationalisme van Bookchin. De stelling als zou Naess als enige van de behandelde auteurs een onderscheid maken tussen de groene en de ecologische beweging roept bij mij twijfels op over de radicaliteit van de radicale ecologie zoals de inleiders die schetsen, en voedt de bestaande twijfels over de waarde van de hier gehanteerde indeling in stromingen. Naast dergelijke enigszins dubieuze passages bevat de inleiding wezenlijke vragen, zoals die naar het verband tussen milieucrisis enerzijds en kapitali-sme plus liberale democratie anderzijds. Het is echter een teleurstelling dat hier de terugkoppeling van dergelijke vragen naar de teksten van de behandelde groene denkers achterwege blijft. Ik verwacht niet het definitieve oordeel in alle kwesties, maar toch zeker wel de eerste stappen van een analyse op basis van een weergave van het groene denken. En dat is wat hier ontbreekt. Een laatste voorbeeld: heel gemakke-lijk wordt een relatie gelegd tussen aan de ene kant de wetenschappelijke en technologische utopie van de moderne samenleving en aan de andere kant de huidige gangbare politiek van het nastreven van een idee van maakbaar-heid. In een tijd waarin politiek, in lijn met het modieuze postmodernisme, doorgaans wordt opgevat als juist het einde van de maakbaarheid geeft de interpretatie van de inleiders aanleiding tot aardig wat speculaties over wat hier wordt bedoelen.

vormen van radicale ecologie

Dan de verschillende hoofdstukken over de groene denkers. Roger Jacobs heeft al eerder over de sociale ecologie van Murray Bookchin gepubliceerd, en dat is aan zijn verhaal af te zien. Natuur, geschiedenis en vrijheid probeert in kort bestek het omvangrijke gedachtengoed van Murray Bookchin te schetsen, en slaagt daar heel redelijk in. Het is een helder, goed gestructureerd verhaal dat als inleiding op Bookchin’s leven en werk zeker een functie vervult. Tot de aantrekkelijke kanten van diens radicale sociale ecologie hoort het verband tussen natuurfilosofie en politieke filosofie. Terwijl veel ecologen er niet in slagen deze polen op aanvaard-bare wijze te verenigen, heeft het eco-anarchisme juist hierin een sterke troef. Wie de groene filosfen vergelijkt, zal niet om dit wezenlijke punt heen kunnen.

Jef Peeters heeft aan de bundel een vrij lang artikel bijgedragen over de interessante Duitse auteur Otto Ullrich, onder de titel Leven naar de menselijke maat. Otto Ullrichs antwoord op de moderne schaarste. Ullrich is een criticus van de moderne industrie en techniek die ik persoonlijk zou scharen onder de politieke ecologen en free spins. Hij is een soort randfiguur in het ecologisme, die met één been voorzichtig in een alternatieve natuurfiloso-fie staat, met een veel zwaarder belast ander been staat in de cultuurkri-tiek van Illich en in de klassieke traditie van de politieke economie. Juist omdat Ullrich in zekere zin een nuchtere auteur is, die weinig last heeft van de soort bevlogenheid dat andere radicale ecologen nog wel eens kenmerkt, zou zijn werk een goed uitgangspunt zijn geweest voor een vergelijking met de andere ecologen. Helaas is het artikel over zijn werk zeer moeilijk leesbaar. Ik vermoed dat Peeters geen weerstand heeft kunnen bieden aan de taalkundige eigenaardigheden van de Duitse traditie van de kritiek van de politieke economie. In elk geval is hij er onvoldoende in geslaagd afstand te nemen van zijn onderwerp, ook in zijn formuleringen.

ecofeminisme

De ecofeministische stroming binnen de radicale ecologie wordt vertolkt door Jeanneke van de Ven. Met Heelheid in diversiteit. Enkele eco-femini-stische thema’s probeert zij een overzicht te geven van de eigen bijdrage van het ecofeminisme aan het ecologisch denken. Als geheel is het geen overtuigend artikel. Wat de wezenlijke bijdrage van het ecofeministisch gezichtspunt is, wordt niet duidelijk. Tenzij het de boodschap is van de gelijkstelling van het mannelijke met het kwade en het vrouwelijke met het goede, maar een dergelijke stelling is mij toch wat al te gemakkelijk. Zweers heeft in zijn recente boek Participeren aan de natuur een uitvoerige persoonlijke kritiek op het ecofeministische perspectief geleverd, en ik sluit me daar bij aan. Hoe problematisch de schets van het eigen ecofemini-stisch alternatief is, wordt duidelijk bij de opsomming van de belangrijk-ste kenmerken van het subsistentiemodel, dat voor Van der Ven het alterna-tief be-lichaamt. Tegen geen van de genoemde kenmerken ervan – onder andere economie als scheppen van leven, een nieuwe relatie tussen mensen en natuur en tussen mensen onderling, basisdemocratie, nieuwe kennis – zal een andere (mannelijke) radicale ecoloog enig bezwaar kunnen hebben. Onder de titel Monoculturen, monopolies en de masculinisering van kennis beschrijft Shiva de nieuwe vorm van structurele ongelijkheid tussen Noord en Zuid, die is gebaseerd op de roof van kennis en soortenrijkdom door transnationale ondernemingen. Shiva volgt in het artikel de werkwijze die bekend is geworden door het ’woordenboek van de ontwikkeling’ van de groep rond Wolfgang Sachs ( Wolfgang Sachs (ed), The Development Dictiona-ry, A Guide to Knowledge as Power. London/New Yersey: Zed books, 1992. Met bijdragen van o.a. Vandana Shiva en Otto Ullrich). Daarin ontleedde een twintigtal op uiteenlopende terreinen deskundige auteurs gangbare en kritische betekenissen van het ontwikkelingsconcept in al zijn betekenis-sen. In dit nieuwe artikel laat Shiva aan de hand van een aspect van het economisch imperialisme zien hoe begrippen als productiviteit, waarde, ontwikkeling, vrijheid, kennis, eigendom en natuur andere betekenissen hebben, afhankelijk van iemands positie, afkomst en belangen. Opvallend is dat Shiva’s benadering van ecologie sterk systeemtheoretisch is geori-ënteerd. Binnen de sociale ecologie is de systeemtheorie niet onomstreden, bijvoorbeeld vanwege de kwantificerende en mogelijk reductionistische benadering van natuur, en vanwege het niet-organische, mechanistische karakter van de theorie. Ook de these van Shiva van de ’masculinisering van de kennis’ lijkt niet sterk onderbouwd. In de bundel ontbreekt deze of soortgelijke kritiek op Shiva’s bijdrage.