Voeten in de casino aarde

 

Sinds enkele decennia geleden de ernst van de milieucrisis zich openbaarde, is, gebruik makend van een aantal oudere denktradities, een nieuwe benade-ring van de maatschappelijke werkelijkheid ontwikkeld die wij nu sociale ecologie noemen. Vanaf dat moment hebben zich verschillende visies, radicale en minder radicale, ontwikkeld op de feitelijke en de mogelijke relatie tussen samenleving en natuur. Rond de ecologische kwestie is in de jaren zeventig een sterke milieubeweging ontstaan, als organisatorische uitdrukking van het ecologisch gedachtengoed. Een groot deel van die beweging heeft de fase van actiegroep achter zich gelaten en is deel geworden van het systeem, een gewaardeerde en bruikbare gesprekspartner voor de gevestigde orde. Overheden hebben milieubeleid ontwikkeld, mede onder druk gezet door een bezorgde burgerij en door groene partijen, die sterke banden hebben met de milieubeweging. Onder andere door de invloed van het ’marktrealisme’ van de jaren tachtig en negentig versimpelen de bestaande groene partijen hun standpun-ten en hun strategische keuzes. Meer in het algemeen lijkt de ontplooiing van het ecologisch denken steeds meer te stagneren. Inzichten uit het verleden worden niet langer creatief gemoderniseerd, en het wordt steeds moeilijker om vanuit een ecologisch perspectief de noodzaak tot radicale veranderingen te bepleiten. Vanuit de socialistische beweging ondervindt het ecologisme nog maar weinig impulsen, want ook die beweging kampt met grote ideologische problemen. De noodzaak zich de feitelijke en dreigende vernietiging van natuur te blijven realiseren en naar oplossingen te blijven zoeken, is intussen onverminderd groot. Het is niet zo dat milieubeleid geen enkel effect heeft. Maar zolang het afhankelijk is van een verdere ontwikkeling van het kapitalisme en van economische groei, al dan niet ’duurzaam’, is een uitweg uit de crisis niet denkbaar.

het ecologisme

Een momenteel breed geaccepteerde indeling van het ecologisch denken onderscheidt gematigde en radicale ecologie. Van de gematigde ecologie zeggen de radicale auteurs vooral dat zij geen fundamentele vragen stelt over de relatie natuur – samenleving. Zij vraagt niet naar de oorzaken van de milieucrisis, en stelt als gevolg daarvan geen ingrijpende oplossingen in politieke en sociaal-economische zin voor. De radicale ecologie wordt gewoonlijk, bijvoorbeeld bij Keulartz in zijn recente Strijd om de natuur (1995), onderverdeeld in sociale, politieke en diep ecologie. De sociale ecologie, met name vertolkt door Murray Bookchin, is een herkenbaar complex van ideeën. Het verenigt in essentie de anarchistische analyse van macht en ongelijkheid, een fundamentele kritiek op het kapitalisme, en een organisch-dialectische natuurfilosofie. De politieke en de diepe ecologie daarentegen zijn mijns inziens minder goed te omschrijven. De politieke ecologie zie ik vooral als de ecologisch gemoderniseerde voortzetting van de oude politieke economie, de ecologisering van het politiek-economische vertoog. Volgens sommigen vertegenwoordigt Illich deze stroming, maar daar is wel wat op af te dingen. En de diepe ecologie, de radicaal-ecologische stroming die momenteel de wind in de zeilen heeft, ontsnapt vooralsnog aan nauwkeurige definiëring, maar oriënteert zich sterk op het werk van Arne Naess, die op zijn beurt weer uit een groot aantal verschillende inspira-tiebronnen put. Met andere woorden, de radicale ecologie als geheel is een verzameling van concepten waarvan de inhoud heel lastig onder één noemer te brengen valt. Het eco-feminisme staat in een wat vreemde verhouding tot deze driedeling. Elementen of vormen van ecofeministisch denken hebben zich in alle radicaal-ecologische stromingen ontwikkeld zonder dat daarmee het ecofeminisme zich als een herkenbare, zelfstandige stroming heeft gemanife-steerd.

Die onduidelijkheid en verscheidenheid is niet aanleiding tot een vruchtbare discussie onder aanhangers van de radicale ecologie. Integen-deel, sectarisme viert hoogtij, met name in de wijze waarop aanhangers van ’deep ecology’ en ’social ecology’ elkaar tegemoettreden. De bereidheid tot dialoog ontbreekt, men verdedigt eerder zijn eigen territorium dan dat van de ander te verkennen. Tot een werkelijke inhoudelijke discussie over de zaak zelf komt het nauwelijks. Het recente, imposante boek van Wim Zweers, Participeren aan de natuur (1995), doet een poging tot verduidelijking, maar slaagt er niet helemaal in tot een synthese te komen. Zweers erkent bijvoorbeeld het belang van een politiek-filosofische analyse, maar is zelf momenteel niet in staat deze te maken. De boven al genoemde Jozef Keulartz doet een uitdrukkelijke poging postmodern af te rekenen met de gehele radicale ecologie, maar vergeet in zijn monomane bloeddorstigheid de elementaire voorwaarden van wetenschappelijke kritiek in acht te nemen en diskwalificeert zich als serieus te nemen auteur. Ik denk dat discussie, dialoog, verheldering van standpunten binnen de ecologische beweging hard nodig is. De belangrijkste thema’s van de sociale en radicale ecologie moeten verder worden onderzocht, want het vergroten van inzicht in elkaars standpunten is een voorwaarde voor een doorbreken van de impasse in de theorievorming en in de totstandkoming van maatschap-pijveranderende bewegingen. Voor de stromingen in de radicale ecologie grote vraagstukken zijn niet zorgvuldig onderzocht en wachten op behande-ling. Ik noem bijvoorbeeld de spanning tussen rationaliteit en spirituali-teit, tussen Verlichting en religie; de verhouding tussen natuurfilosofie en politieke filosofie; de verschillen tussen een modernistische en een postmodernistische ecologische analyse; de vraag of een traditioneel verlicht humanisme noodzakelijk uitmondt in een antropocentrische benade-ring van de ecologische kwestie-; de vaak onuitgesproken keuzes tussen democratische en dictatoriale strategieën; de status van utopische ontwer-pen. Het is van groot belang de dialoog over deze en andere onderwerpen te (her-)openen. Nieuwe boeken over radicale ecologie zouden mijns inziens aan vooral dit criterium moeten worden getoetst: gaan ze in op de spanningsvel-den die ik aangaf, en leveren ze antwoorden op enige van bovenstaande vragen? Vooral daarom is de verschijning van een boek als de bundel Voeten in de aarde van belang. Doorbreekt het boek de boven geschetste impasse? Worden er theoretische doorbraken gerealiseerd? Wordt een bijdrage geleverd aan een beter begrip van wat radicale ecologie kan zijn en aan een maat-schappelijke doorbraak ervan?

de werkgroep

De auteurs van Voeten in de aarde zijn als leden van de werkgroep groene filosofen aanvankelijk gelieerd geweest aan de Vlaamse partij Agalev. Van twee kanten is er verwijdering opgetreden. Agalev heeft zich tot beleids-partij ontwikkeld, geheel in overeenstemming met wat andere groene partijen is overkomen. Anderzijds heeft de werkgroep zich afgevraagd welke de verantwoordelijkheid was tegenover Agalev. Als gevolg hiervan heeft zij zich tot een meer onafhankelijke studiegroep ontwikkeld. De leden zijn bij twee projecten betrokken geweest. Op de eerste plaats hebben ze gewerkt aan wat uiteindelijk Voeten in de aarde is geworden. Daarnaast hebben ze onder de naam ’Aarde-werk’ gepoogd het maatschappelijk draagvlak te versterken voor een groene ombouw van de samenleving en van de politiek: het verkennen van een andere levensstijl gebaseerd op partnerschap aan de natuur, een jaarlijkse zomerweek, en in het algemeen een vermenging van politieke actie en filosofische reflexie. De werkgroep bestudeerde de Duitse Grünen, en nog daarna de werken van een groot aantal bekende denkers over ecologie, wetenschap en technologie. Met Voeten in de aarde hebben zij naar eigen zeggen de stromingen in het radicale groene denken willen presenteren, een politiek onafhankelijke theoretische doordenking willen bieden los van milieubeweging of politieke partij, en het maatschappelijk draagvlak voor een groene politiek willen verbreden. Waarin hebben deze inspanningen geresulteerd?